MarshNieuws Pensioenfondsen – Editie September 2026
14 september 2026
Voor u ligt onze periodieke nieuwsbrief MercerNieuws Pensioenfondsen.
Voor u ligt onze periodieke nieuwsbrief, die voortaan de naam MarshNieuws Pensioenfondsen draagt. Zoals u in een eerder bericht heeft kunnen lezen, bundelen wij onze expertise op het gebied van risico, strategie, mensen en investeringen vanaf september onder één sterk merk: Marsh.
Met deze nieuwsbrief blijven wij u, zoals u gewend bent, op de hoogte houden van pensioenactualiteiten, ontwikkelingen in pensioenland en onze bijbehorende dienstverlening aan pensioenfondsen. U leest korte berichten over onder meer de Wet toekomst pensioenen, juridische updates en actuariële en beleggingsgerelateerde onderwerpen.
Uiteraard lichten wij deze nieuwsbrief ook graag nader toe, bijvoorbeeld tijdens uw bestuursvergaderingen.
Met vriendelijke groet,
Hanneke Hofmans
Business Leader Pensioenfondsen
Pensioenfondsenseminar op donderdag 26 november 2026
Op donderdag 26 november aanstaande wordt ons jaarlijkse Pensioenfondsenseminar gehouden. Ook dit keer vindt de bijeenkomst plaats in het mooie Kasteel Woerden. Het belooft een middag te worden vol kennisuitwisseling, inzichten en discussies over actuele pensioenonderwerpen.
We starten het inhoudelijk programma met Roel Mehlkopf, die u zal meenemen in de wereld van scenariodenken. Marc Heemskerk zal vervolgens zijn ervaringen en inzichten met betrekking tot het nieuwe pensioenstelsel met u delen.
We sluiten de middag af met de live opname van een aflevering van de podcast-serie van Roel en Marc, “Wegwijs na invaren”.
Het volledige programma kunt u nalezen op onze webpagina Pensioenfondsenseminar 26 november 2026. U kunt zich daar ook aanmelden voor het Pensioenfondsenseminar.
Wij hopen u op 26 november te mogen verwelkomen in Kasteel Woerden!
Column: Pensioen in de media
Door: Marc Heemskerk
Als je de (social) mediaberichten mag geloven is het droevig gesteld met ons pensioenstelsel en hebben we er weinig vertrouwen in. Bij plaatsing van Wtp-artikelen krijg ik steevast een aantal negatieve commentaren over de ellende die ons ten deel zal vallen, met hunkering naar het oude stelsel. Waar deze vaste commentatoren destijds ook negatief over waren overigens, maar dat terzijde.
Mijn collega Roel heeft voor onze gezamenlijke podcast dit negatieve sentiment ook kwantitatief onderbouwd. Een maand lang alle pensioenberichten in gesproken en geschreven media turven leidde tot een 12% score voor positieve artikelen en 27% neutraal. De goede rekenaar ziet wat er overblijft als negatief.
Moeten we hier nu waarde aan hechten? De vraag is in hoeverre de media nu representatief is voor wat werkelijk leeft onder ons Nederlanders.
Laat ik weer beginnen met mijn persoonlijke ervaringen. Onlangs mocht ik meewerken aan Wtp-pensioenvoorlichting bij een grote bank. Meerdere sessies door het gehele land. Wat mij het meeste is bijgebleven is de positieve sfeer, het vertrouwen en vooral ook de dankbaarheid voor het oude en nieuwe pensioen. Hier hoort echt geen percentage van 61% negativiteit bij, voor als u de eerdere rekensom niet heeft opgelost.
Maar ook objectievere bronnen geven geen negatieve cijfers. Onlangs verscheen de Nationale Enquête Arbeidsomstandigheden 2025. De media-aandacht bleef doorgaans beperkt tot aandacht voor de salaristevredenheid en toenemende burn-outs, maar ik wist tot pagina 74 van dit rapport te komen. Op basis van CBS-cijfers werd de vraag hoe tevreden men was met de huidige pensioenregeling door ruim 85% van de participanten met “tevreden of heel tevreden” beantwoord.
De vraag op pagina 76 hoe belangrijk men de regeling vindt, werd zelf door 97% met (heel) belangrijk geduid. Nu is 2025 natuurlijk nog geen Wtp en nog het oude stelsel, maar toch. De monitor 2026 zal vast niet anders zijn.
De eenvoudige conclusie is dus dat we (social) media berichten niet moeten geloven op pensioengebied. Wellicht ook niet op andere gebieden, maar dat laat ik aan andere deskundigen.
We moeten ons bewust zijn van de risico’s van deze berichtgeving. Het grootste risico is dat beleidsmakers beïnvloed worden en op basis van deze desinformatie beleidswijzigingen gaan doorvoeren. Laten we dan ook onze deskundigheidseisen voor bestuurders in de pensioensector koesteren en mogelijk uitbreiden. En laten we hopen dat in de politiek ook feiten boven sentiment gesteld zullen worden.
Publicatie AG Prognosetafel 2026
Door: Sander Voskuilen
Op 8 september jl. heeft het Koninklijk Actuarieel Genootschap (AG) de nieuwe Prognosetafel AG2026 gepubliceerd. De belangrijkste wijziging ten opzichte van AG2024 is dat de oversterfte naar verwachting langer aanhoudt en naar verwachting niet geheel zal uitdoven. Ook is nu voor leeftijden tot 55 jaar rekening gehouden met oversterfte. De gewijzigde verwachtingen omtrent de oversterfte zorgen voor een stijging van de sterftekansen, met name voor vrouwen. Hiernaast zijn twee wijzigingen doorgevoerd die minder grote gevolgen hebben op de sterftekansen: de Europese sterftedata van vóór 2020 is bijgewerkt naar de nieuwste gegevens en het startpunt voor toevoeging van de Nederlandse afwijking (vanaf 2020) aan de Europese trend (tot en met 2019) is meer gekalibreerd op de waarnemingen in de jaren 2015 tot en met 2019. Deze wijzigingen hebben per saldo beperkte verhogende effecten op de sterftekansen.
De hogere sterftekansen leiden tot een daling van de levensverwachting. Voor 0-jarigen in 2027 neemt de levensverwachting af met 0,35 jaar voor mannen (van 90,42 jaar tot 90,07 jaar) en met 0,38 jaar voor vrouwen (van 93,15 jaar tot 92,77 jaar). Voor 67-jarigen in 2027 bedraagt de afname van de resterende levensverwachting 0,20 jaar voor mannen (van 18,97 jaar naar 18,77 jaar) en 0,59 jaar voor vrouwen (van 21,76 jaar naar 21,17 jaar).
Bij toepassing van Prognosetafel AG2026 zullen FTK-voorzieningen naar verwachting ongeveer 1% dalen. De daling is afhankelijk van de bestandssamenstelling en zal wat groter zijn naar mate de populatie meer vrouwelijke (gewezen) deelnemers en pensioengerechtigden telt. Voor (sekseneutrale) inkoopfactoren in Wtp-regelingen geldt een vergelijkbaar beeld: de inkoopfactoren zullen met ongeveer 1% dalen, waarbij de daling wat groter is naar mate het gewicht van vrouwelijke deelnemers in de sekseneutrale inkoopfactoren groter is.
FTK-premies voor pensioenopbouw zullen eveneens dalen, maar risicopremies voor meeverzekerd partnerpensioen zullen (zowel voor FTK- als Wtp-regelingen) juist stijgen. Voor FTK-regelingen is er per saldo naar verwachting sprake van een daling van de kostendekkende premie, waar voor Wtp-regelingen met een vast totaal premiebudget een kleiner deel naar de spaarpremie zal gaan en voor Wtp-regelingen met een vaste spaarpremie de totale premie wat zal stijgen. Voor Wtp-regelingen waarbij de spaarpremie gelijk blijft, zal de kans op het behalen van de pensioenambitie toenemen vanwege de gedaalde inkoopfactoren. Voor Wtp-regelingen waar de spaarpremie daalt, zal per pensioenfonds moeten worden bezien of de daling van de spaarpremie en van de inkoopfactoren per saldo leidt tot een grotere of tot een kleinere kans op het behalen van de pensioenambitie.
Het model waarop de prognosetafel is gebaseerd is opnieuw niet aangepast: er is gebruikgemaakt van Europese sterftegegevens tot en met 2019 (die verder zijn geactualiseerd) om de langetermijntrend en de ontwikkeling van de Nederlandse sterfte naar die trend te bepalen. Daarnaast is gebruikgemaakt van Nederlandse sterftegegevens vanaf 2020 om de Nederlandse afwijking van de langetermijntrend en het effect van de oversterfte in de tafel te verwerken. De mate waarin en de snelheid waarmee de oversterfte naar verwachting afneemt is door het AG opnieuw aangepast. De oversterfte start op een hoger niveau (met name voor vrouwen) dan in Prognosetafel 2024 was voorzien, neemt nu jaarlijks nog met 5% af (AG2024: 25%) en zal naar verwachting niet verder dalen dan tot 25% van het huidige niveau (in AG2024 werd nog volledige uitdoving van de oversterfte verwacht).
Invaren ongehuwden ouderdomspensioen (OOP)
Door: Bülent Çobanoglu
Tot 1 januari 1999 was het fiscaal mogelijk om een OOP op te bouwen. Dit is een voorwaardelijk ouderdomspensioen dat alleen uitkeert als de gepensioneerde niet gehuwd is of geen partner heeft. Bij het aanpassen van de pensioenregeling aan de voorwaarden van de Wtp kan de wens bestaan om het in het verleden opgebouwd OOP zoveel mogelijk aan te laten sluiten bij de oude situatie.
Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) heeft antwoord gegeven op twee vragen over het invaren van OOP:
- Is het mogelijk om op de pensioeningangsdatum het ouderdomspensioen te verhogen met een OOP als de gepensioneerde geen partner heeft.
- Is het mogelijk om na de pensioeningangsdatum het ouderdomspensioen te verhogen met het OOP als de partner wegvalt.
Antwoord 1:
Ja, fiscaal is het toegestaan dat alleen op de pensioeningangsdatum de toetsing plaatsvindt of een gepensioneerde met een OOP-aanspraak een partner heeft. Voorwaarde hierbij is dat het OOP levenslang wordt uitgekeerd aan de gepensioneerde.
Antwoord 2:
Nee, het is fiscaal niet toegestaan dat na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen een tweede toetsing plaatsvindt met als gevolg dat het OOP ook na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen kan ingaan. Als dit in het pensioenreglement is opgenomen dan leidt dit tot fiscale onzuiverheid van de gehele pensioenaanspraak.
Conclusie:
- Op de ingangsdatum van het ouderdomspensioen wordt beoordeeld of er recht bestaat op een OOP.
- Als er geen recht op een OOP bestaat, dan ontvangt de gepensioneerde geen OOP-uitkering. Ook niet als de gepensioneerde na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen zijn of haar partner verliest.
- Als er wel recht bestaat op een OOP dan ontvangt de gepensioneerde niet alleen een OOP-uitkering maar ook een ouderdomspensioen.
- De voorwaarde hierbij is dat het OOP levenslang wordt uitgekeerd en dus ook niet stopt wanneer de gepensioneerde na de ingangsdatum van het ouderdomspensioen een partner krijgt.
Pensioenvermogen van pensioengerechtigden in de Wtp: Wel of niet tonen?
Door: Bülent Çobanoglu
Er is discussie over het weergeven van een (persoonlijk) pensioenvermogen aan pensioengerechtigden in de Wtp. De meeste pensioenfondsen kiezen ervoor dit niet te tonen. Ook de Pensioenfederatie adviseert om dit niet te doen, omdat het tonen van een persoonlijk pensioenvermogen bij pensioengerechtigden tot verwarring kan leiden. Bovendien is het niet wettelijk verplicht.
Pensioenfondsen zijn wettelijk verplicht om pensioengerechtigden te informeren over:
- de hoogte van hun pensioen.
- ontwikkelingen in hun pensioen (wijzigingen, verhogingen of verlagingen).
En daarnaast over de mogelijkheid om aanvullende informatie op te vragen, bijvoorbeeld de omvang van de collectieve vermogens.
Waarom adviseert de Pensioenfederatie om het pensioenvermogen niet aan pensioengerechtigden te tonen?
Het pensioenvermogen heeft geen betekenis voor pensioengerechtigden. Dit geldt zowel voor de solidaire (SPR) als de flexibele premieregeling (FPR). Het is administratief een tussenstap in de berekening van de pensioenuitkering. Daardoor zal deze informatie eerder vragen oproepen en voor verwarring zorgen:
- Door een (dalend) vermogen te laten zien, kan dit de indruk wekken dat het pensioenvermogen kan opraken. Terwijl gepensioneerden dankzij het collectief pensioen krijgen zolang ze leven. Het pensioen van wie lang leeft wordt mede betaald uit het vermogen van wie minder lang leeft.
- In een SPR wordt bij ingang van het pensioen een deel van het pensioenvermogen van de deelnemer opgenomen in het collectief spreidingsvermogen.
- Het spreidingsvermogen kan ook negatief zijn, wat moeilijk uit te leggen is.
De Pensioenfederatie adviseert de volgende richtlijnen aan te houden:
- Toon het pensioenvermogen alleen aan actieve en gewezen deelnemers.
- Maak duidelijk waar geïnteresseerde pensioengerechtigden informatie kunnen vinden over het totale uitkerings- en spreidingsvermogen.
- Zorg dat algemene (achtergrond)informatie over het individuele pensioenvermogen of pensioenpot, specifiek bedoeld voor actieve en gewezen deelnemers, bijvoorbeeld op een apart deel van de website of in een apart segment van een nieuwsbrief is opgenomen.
- Deelnemers die met pensioen gaan vanuit een SPR of FPR, zijn gewend een persoonlijk pensioenvermogen op het pensioenoverzicht te zien. Leg deze groep uit wat er met hun pensioenvermogen gebeurt als zij met pensioen gaan.
DNB legt eindfase invaarbeoordelingen uit
Door: Bülent Çobanoglu
Per 1 januari 2028 eindigt de wettelijke transitietermijn en na 1 januari 2027 willen nog ongeveer 55 pensioenfondsen en APF-kringen invaren. Volgens DNB vraagt deze eindfase van de transitie om een voortvarend beoordelingsproces. DNB geeft op haar website aan wat pensioenfondsen kunnen verwachten en hoe zij zich daarop kunnen voorbereiden.
De inzet van DNB is dat pensioenfondsen uiterlijk zes maanden vóór de beoogde invaardatum de beslissing over hun invaarmelding ontvangen.
Concreet kunnen pensioenfondsen het volgende van DNB verwachten:
- Indienen documenten 12 maanden voor invaren
DNB benadrukt het belang van tijdige indiening: Uiterlijk twaalf maanden voor de beoogde invaardatum. Haalt een pensioenfonds deze timing niet, dan vergroot dit het risico op tijdsdruk voor het pensioenfonds om te bepalen hoe het met eventuele tekortkomingen om zou moeten gaan, alvorens DNB tot een beslissing over de invaarmelding moet komen.
- Plausibiliteit van de transitie-effecten op orde
Op basis van de gepubliceerde guidance en de ervaring bij uitvoeringsorganisaties en adviseurs is het in de meeste gevallen niet nodig om aan dit onderwerp tijdens de DNB-beoordeling nog veel tijd en overleg te besteden. DNB zal in de eindfase zo veel mogelijk de plausibiliteit direct na indiening van de melding beoordelen en daarbij gestandaardiseerde bevindingen hanteren.
- Beperken van het aantal iteraties (herhalingen) bij de inhoudelijke beoordeling
DNB zal in beginsel per onderwerp één beoordeling op de invaarmelding geven, waarna het pensioenfonds eventuele tekortkomingen kan adresseren. DNB stuurt daarbij op een zo beperkt mogelijk aantal iteraties voordat tot besluitvorming wordt overgegaan.
Mededeling over stoppen toeslagregeling kan instemming OR vereisen
Door: Bülent Çobanoglu
Een aangekondigde beëindiging van een toeslagregeling voor pensioenen kan een instemmingsplichtig besluit zijn. Dat oordeelde het gerechtshof Amsterdam op 11 augustus 2026 in een zaak waarin een OR de nietigheid van de beëindiging had ingeroepen.
Het ging in deze zaak om een geschil over een toeslagregeling in de oude pensioenregeling na wijziging van de bestaande middelloonregeling in een beschikbare premieregeling. De pensioenregeling van de werkgever bevatte een voorwaardelijke toeslagregeling voor pensioengerechtigden en ex-werknemers met opgebouwde pensioenaanspraken. De pensioenverzekeraar informeerde deze groep dat de toeslagregeling was geëindigd wegens het ontbreken van middelen in het bij de pensioenuitvoerder aangehouden toeslagdepot. De OR beschouwde deze aankondiging als beëindiging van de toeslagregeling. Omdat de wijziging niet ter instemming was voorgelegd, riep de OR de nietigheid ervan in.
Volgens het hof was de mededeling in deze zaak een besluit tot intrekking van een regeling op grond van een pensioenovereenkomst. Daarvoor was op grond van artikel 27 van de WOR instemming van de OR nodig. In deze procedure stond vast dat de OR niet om instemming was gevraagd.
Niet iedere mededeling van een pensioenuitvoerder vormt daarmee automatisch een instemmingsplichtig besluit. Het oordeel is gebonden aan de omstandigheden van deze pensioenregeling en de inhoud en betekenis van de betreffende brief.
Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP): Pensioenfonds niet verplicht alle vragen van deelnemers te beantwoorden
Door: Bülent Çobanoglu
Deelnemers kunnen niet afdwingen dat pensioenfondsen hun vragen beantwoorden, oordeelt GIP in een bindende uitspraak. De Wtp kent geen algemeen recht op aanvullende informatie.
Het geschil gaat over het uitblijven van antwoorden op vragen aan het pensioenfonds. De klager wilde onder meer weten of het pensioenfonds wel bij deelnemers is nagegaan of die in de nieuwe pensioenregeling “het risico op extreme verlagingen willen en kunnen lopen”. Verder vroeg de deelnemer onder meer naar haar handelingsperspectief en of het pensioenfonds openstaat voor waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder. Ze stelde die informatie nodig te hebben vanwege een eventuele wisseling van baan, waarbij “de inhoud van de pensioenregeling voor de keuzes die zij moet maken belangrijk is”.
Volgens GIP heeft de deelnemer belang bij haar verzoek. Maar antwoord op de vragen hoeft het pensioenfonds niet te geven, oordeelt GIP.GIP onderbouwt dat oordeel onder meer met een algemene verwijzing naar de Wtp. Grotere transparantie was één van de doelen van de wet, aldus de uitspraak. “Dat doel heeft zich vertaald in de uiteindelijke wettekst.” Maar: “Die tekst bevat of impliceert geen algemeen recht van deelnemers om vragen te stellen, althans niet een plicht van pensioenfondsen om die te beantwoorden.”
Dat deelnemers vaak recht hebben op aanvullende informatie is hier niet van toepassing. Dan gaat het vooral om informatie die direct de omvang van de pensioenuitkering betreft, bijvoorbeeld naar aanleiding van onjuist gebleken informatieverschaffing. Dat is hier niet aan de orde.
Geschilleninstantie Pensioenfondsen (GIP): Schadevergoeding voor deelnemer wegens onjuiste informatieverstrekking
Door: Bülent Çobanoglu
Het geschil gaat over een verlaging van de pensioenuitkering die het pensioenfonds doorvoerde vanwege een verdeling van het pensioen met de ex-partner van de deelnemer. De verdeling was de standaardverevening, waarbij beiden recht hebben op de helft van het tijdens het huwelijk opgebouwde pensioen. Deelnemer vond die verlaging onterecht, omdat op UPO’s die het pensioenfonds stuurde stond dat “bij de vermelde bedragen rekening was gehouden met de scheiding en dat een deel van het pensioen naar de ex-partner ging”.
De informatie op de UPO’s bleek voor een deel onjuist. Er was namelijk voor een deel van het pensioen geen rekening gehouden met verevening, omdat een andere pensioenuitvoerder in het verleden had verzuimd dit bij een waardeoverdracht mee te delen aan de nieuwe pensioenuitvoerder. De deelnemer bouwde tijdens zijn huwelijk bijna twaalf jaar pensioen op. Dit pensioen droeg de deelnemer over aan het pensioenfonds en de vorige pensioenuitvoerder gaf aan dit pensioenfonds niet door dat het pensioen was verevend. Het pensioenfonds heeft vervolgens het pensioen van de deelnemer verlaagd.
GIP stelt de deelnemer deels in het gelijk. In lijn met de Nederlandse rechtspraak stelt GIP dat de deelnemer geen rechten kan ontlenen aan het UPO. De deelnemer mocht niet verwachten dat genoemde pensioenbedragen blijvend en zonder correctie voor hem zouden gelden. Maar volgens GIP heeft de deelnemer wel recht op een schadevergoeding. Achteraf staat vast dat de informatie op het UPO van het pensioenfonds onjuist was en hierdoor handelde het pensioenfonds in strijd met de Pensioenwet. Die Pensioenwet bepaalt dat de informatie “correct, duidelijk en evenwichtig” moet zijn. Volgens GIP maakt het niet uit dat de fout ontstond bij de vorige pensioenuitvoerder en ook niet of het pensioenfonds de fout niet had opgemerkt, terwijl het die wel had kúnnen opmerken. Bij de waardeoverdracht heeft het pensioenfonds de verantwoordelijkheid overgenomen. Daarnaast stelt GIP dat het UPO-model het gebruik van de zin niet dwingend voorschrijft. Vanwege die verkeerde informatie kent GIP aan de deelnemer een schadevergoeding toe.
Vier thema’s voor verzekeraars in 2026
Business Leader Pensioenfondsen