MercerNieuws Pensioenfondsen Juli 2026
07 juli 2026
Voor u ligt onze periodieke nieuwsbrief MercerNieuws Pensioenfondsen.
Voor u ligt onze periodieke nieuwsbrief MercerNieuws Pensioenfondsen. Met deze nieuwsbrief houden wij u op de hoogte van pensioenactualiteiten, ontwikkelingen in pensioenland en onze dienstverlening aan pensioenfondsen daaromtrent. De nieuwsbrief bevat korte berichten over de ontwikkelingen rondom de Wet toekomst pensioenen, juridische updates en actuariële en beleggingen-gerelateerde onderwerpen. Uiteraard lichten wij deze nieuwsbrief ook graag nader aan u toe, bijvoorbeeld tijdens uw bestuursvergaderingen.
Met vriendelijke groet,
Hanneke Hofmans
Business Leader Pensioenfondsen
Pensioenfondsenseminar op donderdag 26 november 2026
Door: Marc Heemskerk
Op donderdagmiddag 26 november 2026 vindt ons jaarlijkse Pensioenfondsen-seminar plaats in Kasteel Woerden.
Ook dit jaar brengen we weer een mooie groep pensioenfondsbestuurders en experts bij elkaar voor een middag vol actuele inzichten, ontmoeting en goede gesprekken. Marc Heemskerk en Roel Mehlkopf maken in ieder geval deel uit van het programma. Tijdens het seminar krijgt hun podcast een vervolg op het podium. Een mooie kans dus om beide experts live samen in actie te zien.
De officiële uitnodiging met het volledige programma volgt later, maar noteer de datum alvast in uw agenda. Wij hopen u op 26 november te mogen verwelkomen in Kasteel Woerden!
Klik hier om u aan te melden voor het Pensioenfondsenseminar.
Update: Plan kabinet om de AOW-leeftijd sneller te laten stijgen gaat niet door
Door: Bülent Çobanoglu
Het kabinet wilde de AOW-leeftijd sneller laten meestijgen met de levensverwachting. Deze versnelde verhoging gaat definitief niet door. Zowel de Tweede als de Eerste Kamer dwarsboomden het plan, waardoor het kabinet zich genoodzaakt zag het controversiële voorstel in te trekken.
Met de versnelde stijging van de AOW-leeftijd was op termijn een bezuiniging van 2,7 miljard euro gemoeid. Die moet nu ergens anders vandaan komen, bijvoorbeeld de WW en de WIA. In een brief gericht aan de vakbonden noemt Minister Vijlbrief het schrappen van de AOW-maatregel “een eerste stap om een inhoudelijk gesprek te starten”. De vakbonden willen echter niet met de Minister om tafel zolang de bezuinigingen op de sociale zekerheid doorgaan.
Update: Eerste Kamer akkoord met bedrag ineens
Door: Bülent Çobanoglu
Op 16 juni 2026 heeft de Eerste Kamer ingestemd met het wetsvoorstel Wet herziening bedrag ineens. De wet treedt definitief per 1 januari 2029 in werking.
Het bedrag ineens biedt personen die met pensioen gaan meer keuzevrijheid bij het benutten van hun pensioen door het mogelijk te maken dat zij maximaal 10% van hun pensioenvermogen in één keer uitbetaald te krijgen.
Wetsvoorstel toezeggingen Wtp en andere pensioenonderwerpen
Door: Bülent Çobanoglu
Bij de behandeling van de Wtp heeft de regering toegezegd de vrijwillige voortzetting van het wezenpensioen mogelijk te maken en ook de definitie van het “kind” te uniformeren in de Pensioenwet. Deze twee zaken worden doorgevoerd met dit wetsvoorstel. Daarnaast bevat dit wetsvoorstel voor zowel pensioenfondsen als verzekeraars een verruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid. Naast de toezeggingen behandelt dit wetsvoorstel ook andere onderwerpen, zoals de gelijke aanpassingen in de flexibele premieovereenkomst.
Vrijwillige voortzetting van wezenpensioen
Op grond van de Wtp kan een gewezen deelnemer nadat hij uit dienst is het partnerpensioen na de afgesproken uitloopperiode, of na afloop van de voortzetting van de risicodekking gedurende de Ziektewet- of Werkloosheidswet-periode of de combinatie daarvan, vrijwillig voortzetten.
Deze vrijwillige voortzetting van het partnerpensioen op risicobasis is in feite een uitruil van het ouderdomspensioen en is niet mogelijk voor het wezenpensioen.
In het wetsvoorstel wordt de vrijwillige voortzetting ook mogelijk gemaakt voor het wezenpensioen, onder dezelfde voorwaarden als het partnerpensioen:
- De duur van de voortzetting is minimaal 15 jaar en eindigt in ieder geval op het moment dat de gewezen deelnemer een nieuw dienstverband aangaat of het ouderdomspensioen ingaat.
- De gewezen deelnemer moet jaarlijks geïnformeerd worden over de gevolgen en de vrijwillige voortzetting wordt vroegtijdig stopgezet als de gewezen deelnemer niet meer wil voortzetten.
- Als het ouderdomspensioen onder de afkoopgrens komt dan stopt de vrijwillige voortzetting ook.
- Voor de financiering van deze vrijwillige voortzetting wordt het opgebouwde pensioenvermogen voor ouderdomspensioen gebruikt. Met dit wetsvoorstel wordt ook een nieuwe financieringswijze voorgesteld. De vrijwillige voortzetting mag ook ten laste komen van het partnerpensioen op opbouwbasis vanaf de pensioendatum. Beide financieringswijze tegelijk is niet mogelijk. Eén van beiden moet in de pensioenregeling opgenomen worden. Als de financiering ten laste komt van het partnerpensioen op of na de pensioendatum en de partner stemt niet in met deze financiering dan kan de vrijwillige voortzetting niet doorgaan. Als bijvoorbeeld wordt afgesproken dat jaarlijks niet meer dan een bepaald percentage gebruikt mag worden als financiering en dit maximum is bereikt, dan stopt de vrijwillige voortzetting ook. Het overgangsrecht nabestaandenpensioen opgebouwd voor het invaren wordt buiten beschouwing gelaten voor de vrijwillige voortzetting.
Een uniforme definitie van kind
De Pensioenwet bevat geen passende definitie van het begrip “kind”. Pensioenuitvoerders bepalen in hun eigen pensioenreglementen wie voor de pensioenregeling als kind wordt aangemerkt en welke voorwaarden daaraan worden gesteld. Het wetsvoorstel introduceert een uniforme weesdefinitie, waaronder ook adoptiekind, pleeg- en stiefkinderen kunnen vallen. Ook het kind dat geboren is na overlijden van de deelnemer (gehuwd of geregistreerd partnerschap) valt onder de definitie.
Een verruiming van het overgangsrecht voor premievrije voortzetting van pensioenopbouw bij arbeidsongeschiktheid
Bij pensioenfondsen:
In de Pensioenwet is overgangsrecht opgenomen voor gesloten pensioenfondsen waarbij de werkgever niet meer bestaat. Hierdoor kunnen alle gesloten pensioenfondsen met een werkgever geen gebruik maken van het overgangsrecht en zijn deze verplicht de pensioenregeling om te zetten naar een Wtp-regeling. Het wetsvoorstel maakt geen onderscheid tussen een gesloten pensioenfonds met of zonder werkgever.
Daarnaast is het overgangsrecht verruimd voor deelnemers die ziek zijn geworden onder het oude stelsel (in het gesloten pensioenfonds), maar op een later moment, na afloop van een wachttijdperiode van 104 weken arbeidsongeschikt worden. In die situatie is premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid onder het oude stelsel mogelijk. Dit geldt niet als het pensioenfonds invaart. Als na de transitieperiode een collectieve waardeoverdracht naar een andere pensioenuitvoerder plaatsvindt, kan de pensioenregeling voor de deelnemers met premievrije voortzetting worden voortgezet bij de nieuwe pensioenuitvoerder.
Bij verzekeraars:
Het overgangsrecht houdt in dat in bepaalde situaties de premievrije voortzetting bij arbeidsongeschiktheid onder het oude stelsel voortgezet mag worden als:
- zowel de eerste ziektedag als ook het doorlopen van de wachttijd (veelal 104 weken) onder het oude pensioenstelsel heeft plaatsgevonden;
of
- de deelnemer ziek uit dienst treedt onder het oude pensioenstelsel (voor 1 juli 2023) en de wachttijd plaatsvindt na de uitdiensttreding.
Het huidige overgangsrecht geldt dus niet voor deelnemers die in dienst zijn bij de werkgever en die op het moment van overgang naar het nieuwe stelsel ziek zijn maar nog niet de wachttijd hebben doorlopen. Het wetsvoorstel verruimt daarom het overgangsrecht zodat ook deelnemers die op het moment van overgang naar het nieuwe pensioenstelsel ziek zijn en de wachttijd nog niet hebben doorlopen, onder het overgangsrecht vallen. De voorgestelde aanpassing ziet zowel op de situatie waarbij de werkgever de gewijzigde pensioenregeling onder het nieuwe pensioenstelsel onderbrengt bij een andere verzekeraar, als bij dezelfde verzekeraar.
Een verruiming van de mogelijkheden binnen flexibele premieregelingen
Binnen het collectief toedelingsmechanisme is het mogelijk om gelijke aanpassingen van pensioenuitkeringen en het spreiden van financiële resultaten te realiseren. In de eerste jaren direct na pensioendatum van een pensioengerechtigde is het in de praktijk uitvoeringstechnisch complex om het collectief toedelingsmechanisme zodanig in te richten dat de pensioenuitkeringen van een net- pensioengerechtigde in gelijke mate meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden. Veel pensioenfondsen kiezen er daarom niet voor om bij de flexibele premieregeling de pensioenuitkeringen van net-pensioengerechtigden in gelijke mate aan te passen.
Het is met het wetsvoorstel mogelijk dat pensioenfondsen als een deelnemer met pensioen gaat, bij zijn uitkering rekening houden met de toekomstige aanpassingen van lopende pensioenuitkeringen.
Het pensioenfonds kan een deel van het pensioenkapitaal toewijzen voor verlaging dan wel verhoging van de uitkering, al naar gelang het financiële resultaat dat het pensioenfonds in eerdere jaren behaalde. De pensioenuitkering van de net-gepensioneerde kan hiermee in de eerste jaren van het pensioen zonder ex-ante herverdeling in gelijke mate meebewegen met de pensioenuitkeringen van andere pensioengerechtigden.
Door toepassing van gelijke aanpassingen en spreiden kan de uitkering van het partnerpensioen bij overlijden vóór de pensioendatum of het wezenpensioen de begrenzingen van 50% respectievelijk 20% of 40% voor volle wezen van het laatstgenoten pensioengevend loon overschrijden. Het overschrijden van deze begrenzingen kan bijvoorbeeld plaatsvinden als het spreidingsvermogen dat op pensioendatum nodig is of het kapitaal dat wordt gealloceerd negatief is en dit negatieve vermogen wordt verrekend met het vermogen of het kapitaal bestemd voor de uitkering.
Dit kan met terugwerkende kracht tot en met 1 juli 2023.
Fiscale verzamelwet 2027 bij Tweede Kamer ingediend
Door: Bülent Çobanoglu
Het voorstel “Fiscale verzamelwet 2027” is bij de Tweede Kamer ingediend. In dit wetsvoorstel zijn met name technische punten op fiscaal terrein opgenomen. Eén van de onderwerpen betreft de uiterste pensioeningangsdatum. Op grond van de Wet Loonbelasting 1964 moet het ouderdomspensioen uiterlijk ingaan in het vijfde jaar na de AOW-gerechtigde leeftijd. Gebeurt dat niet, dan is het pensioen in fiscale zin onzuiver. Dat leidt tot loonheffing over de volledige waarde van de pensioenaanspraak. Daarbij wordt in beginsel 20% revisierente berekend. Ook in overlijdenssituaties geldt een wettelijke termijn waarbinnen het partnerpensioen en/of wezenpensioen moet ingaan.
Het komt regelmatig voor dat een pensioengerechtigde onvindbaar is voor de pensioenuitvoerder, bijvoorbeeld bij verhuizing naar het buitenland. Als zo’n onvindbare pensioengerechtigde het pensioen vergeten is, kan het zeker gebeuren dat de wettelijke termijn wordt overschreden. Zolang niet duidelijk is of een gerechtigde nog in leven is, vindt er geen belastingheffing plaats. Er is immers dan niet duidelijk of er nog sprake is van een zaak waarvan belasting kan worden geheven. Als deze gerechtigde zich na de uiterste pensioeningangsdatum alsnog meldt bij de pensioenuitvoerder, vindt er alsnog belastingheffing plaats, plus in beginsel heffing van revisierente. Omdat dit in voorkomende gevallen niet rechtvaardig wordt geacht, stelt de Fiscale verzamelwet 2027 een versoepeling voor.
Als de pensioengerechtigde zich meldt na de wettelijke of contractueel overeengekomen uiterste pensioeningangsdatum mag het pensioen alsnog regulier worden uitgekeerd en blijven de fiscale sancties achterwege. Het pensioen wordt dan geacht tijdig te zijn ingegaan. De achterstallige pensioentermijnen, dus de termijnen die hadden moeten worden uitgekeerd tussen de uiterste ingangsdatum en de feitelijke ingangsdatum, worden bij pensioeningang ineens uitgekeerd en belast op dat uitkeringsmoment. De pensioengerechtigde moet wel nog in leven zijn op het moment dat het pensioen wordt opgevraagd na de uiterste pensioeningangsdatum.
Als erfgenamen van een overleden pensioengerechtigde aanspraak kunnen maken op een niet ingegaan pensioen na de uiterste ingangsdatum blijven de fiscale consequenties van het onzuiver worden van het pensioen in ieder geval wel van toepassing.
Deze maatregel geldt ook voor pensioenaanspraken van voor de inwerkingtreding van de Wtp die niet zijn omgezet in een Wtp-regeling.
Het is de bedoeling dat de wet op 1 januari 2027 in werking treedt.
Verzamelbrief pensioenonderwerpen naar de Tweede Kamer gestuurd
Door: Bülent Çobanoglu
Minister Vijlbrief heeft per brief de Tweede Kamer geïnformeerd over de actuele stand van zaken rondom een aantal pensioenonderwerpen, de overgang naar het nieuwe pensioenstelsel en overkoepelende pensioenwetgeving.
De belangrijkste actuele thema's uit de brief van de Minister zijn:
Wetsvoorstel Pensioenverdeling bij Scheiding (WPS)
Het wetsvoorstel WPS is in september 2019 aan de Tweede Kamer aangeboden. Met dit wetsvoorstel wordt bij de verdeling van pensioenaanspraken “conversie” de standaard. Dat houdt in dat het deel van het pensioen dat toekomt aan de ex-partner wordt omgezet in een eigen ouderdomspensioen. Hierdoor zijn de ex-partners op pensioengebied niet meer van elkaar afhankelijk. Vanwege de samenloop met de uitvoering van de Wtp heeft de regering eerder de beoogde inwerkingtredingsdatum van het wetsvoorstel opgeschoven naar het einde van de transitie. De beoogde inwerkingtredingsdatum is 1 januari 2028.
Indexatie bij buitenlandse pensioeninstellingen
De Minister gaat in de brief aan de Tweede Kamer in op indexatieafspraken bij pensioenregelingen die door buitenlandse pensioenfondsen worden uitgevoerd en de rol van toezicht daarbij.
Een pensioeninstelling gevestigd in een andere EU-lidstaat staat onder prudentieel toezicht in de lidstaat waar de pensioeninstelling gevestigd is. Op een Nederlandse pensioenregeling die wordt uitgevoerd door een pensioeninstelling gevestigd in een andere lidstaat, is het Nederlandse arbeids- en sociaal recht van toepassing. Voor de naleving van het Nederlandse arbeids- en sociaal recht is de pensioeninstelling onderworpen aan toezicht door DNB en de Autoriteit Financiële Markten (AFM).
Bij de transitie naar het nieuwe pensioenstelsel moet de werkgever de gewijzigde pensioenovereenkomst en een transitieplan aan het pensioenfonds zenden. Het voorschrift om een implementatieplan en communicatieplan in te dienen bij de toezichthouder geldt niet voor een pensioeninstelling gevestigd in een andere lidstaat. De inhoud van de pensioenregeling, waaronder de toeslagverlening, is arbeidsvoorwaardelijk en komt tot stand tussen werkgever en werknemersvertegenwoordiging. Binnen het wettelijk kader is het aan partijen om de pensioenregeling in te vullen. De regering of toezichthouders hebben geen rol bij die invulling. DNB houdt toezicht op naleving van het Nederlandse arbeids- en sociaal recht, waaronder de gelijke behandeling bij toeslagen (artikel 58 Pensioenwet). Het is toegestaan dat bij een toeslagverlening aan deelnemers, de pensioenen van gewezen deelnemers en gepensioneerden niet in gelijke mate worden verhoogd. Het maakt daarbij geen verschil of het pensioenfonds in Nederland of in een andere lidstaat is gevestigd.
Toezegging om jongeren te betrekken bij wijzigingen in de AOW
De minister geeft aan dat hij het belangrijk vindt dat ook jongeren zich kunnen uitspreken over de AOW. Hij benadert daarom onder meer het SER jongeren‐platform of zij bereid zijn hierover het gesprek aan te gaan.
Governance in het nieuwe pensioenstelsel
De overgang naar het nieuwe pensioenstelsel is een goed moment om te inventariseren hoe de governance binnen pensioenfondsen nu is vormgegeven en op welke wijze ingespeeld wordt op actuele ontwikkelingen. Vervolgens wordt bezien in hoeverre de vertegenwoordiging door de belanghebbenden in het pensioenfonds nog steeds afdoende is voor de evenwichtige besluitvorming.
De Minister heeft opdracht gegeven aan een onderzoeksbureau om eerst in kaart te brengen hoe de governance binnen pensioenfondsen is vormgegeven en op welke wijze momenteel invulling wordt gegeven aan evenwichtige besluitvorming binnen het stelsel van de Wtp. Naar verwachting start het onderzoeksbureau deze zomer met de opdracht en wordt de Tweede Kamer in de eerste helft van 2027 geïnformeerd over de bevindingen.
De brief behandelt daarnaast een aantal andere onderwerpen:
- Financiering van het Nederlandse pensioenstelsel.
- Transparantie: inzichtelijk maken van pensioenkosten aan de hand van kengetallen.
- Evaluatie van de experimenteerbepaling voor zelfstandigen.
Ingangsdatum wezenpensioen als een kind wordt geboren na het overlijden van de werknemer
Door: Bülent Çobanoglu
Het Centraal Aanspreekpunt Pensioenen (CAP) van de Belastingdienst heeft een Q&A gepubliceerd over de vraag wanneer een wezenpensioen uiterlijk moet ingaan in de situatie dat een kind van een werknemer wordt geboren na het moment waarop de werknemer is overleden.
Dit is belangrijk omdat de fiscale wetgeving bepaalt dat een wezenpensioen niet later mag ingaan dan op de eerste dag van de volgende maand na overlijden van de (gewezen) werknemer. Een vergelijkbare regeling geldt ook voor een nabestaandenoverbruggingspensioen voor wezen.
Het is fiscaal toegestaan dat het wezenpensioen later ingaat als een kind van de overleden werknemer pas ná zijn overlijden wordt geboren. Het wezenpensioen gaat dan uiterlijk in op de eerste dag van de volgende maand na de geboorte van het kind.
Steeds meer rechtsbijstandverzekeraars sluiten geschillen over invaren uit
Door: Bülent Çobanoglu
In navolging van DAS sluiten steeds meer rechtsbijstandverzekeraars geschillen over het invaren van pensioenen uit. Van de 44 rechtsbijstandverzekeringen sluiten er nu 21 geschillen over invaren expliciet uit. Bij nog eens 20 worden deze geschillen alleen gedekt als de verzekerde heeft gekozen voor de (aanvullende) module waar “pensioen” onder valt. Slechts drie verzekeringen bieden standaard dekking voor geschillen over het invaren van pensioenaanspraken en -rechten.
DAS geeft aan dat “de markt rond de Wtp momenteel nog rustig is en weinig instroom kent. De reden dat het aantal vragen over invaren “zeer beperkt” is kan te maken hebben met het feit dat de pensioenuitkomsten van de eerste groep pensioenfondsen die naar het nieuwe stelsel zijn overgegaan gemiddeld hoger liggen. Hierdoor ontstaat er geen nadeel voor deelnemers en is er ook geen reden om juridische stappen te zetten.
Bron: Pensioen Pro, 19 juni 2026
Business Leader Pensioenfondsen