DCSIMG
Mercer
Mercer Signaal, editie oktober 2013

Contact: Peter Conneman


Netto Pensioen een oplossing voor beperking fiscale ruimte?


 

De voorgestelde fiscale beperkingen van de pensioenopbouw zet ons aan het denken over alternatieven. Een daarvan is het zogenoemde nettopensioen. Hierbij zijn de aanspraken (lees: premies en koopsommen) belast en de uitkeringen vrij van belastingheffing. Wel is de deelnemer over de waarde in het economische verkeer van zijn opgebouwde nettopensioen jaarlijks in beginsel 1,2% vermogensrendementsheffing verschuldigd. Hoewel zo’n pensioenregeling volgens de fiscale wetgeving geen pensioen is, moet er toch voor worden gezorgd dat ze in overeenstemming is met de Pensioenwet. Als dit namelijk niet het geval is, zou ze fiscaal kunnen worden aangemerkt als een ‘regeling voor vervroegde uittreding’ (RVU) zoals bedoeld in artikel 32ba van de Wet op de loonbelasting (1).  In dat geval is de werkgever over de premies en koopsommen een extra belastingheffing van 52% verschuldigd.

Wanneer nettopensioen?

Een nettopensioenregeling kan wellicht een oplossing bieden bij:

  • Een salaris dat hoger is dan € 100.000
  • Het compenseren van een lager opbouwpercentage
  • Overgangsmaatregelen uit hoofde van de Wet VPL (2)

Pensioenuitvoerder beschikbaar voor nettopensioen?

Nettopensioen een oplossing voor beperking fiscale ruimte?Randvoorwaarde voor een nettopensioenregeling is dat er uitvoerders zijn die dit willen verzekeren. Op dit moment zijn nog niet alle verzekeraars daartoe bereid.

Kostennadelen nettopensioen

Als wordt gestreefd naar min of meer gelijkwaardige pensioenuitkeringen voor de werknemers, zullen de kosten van een nettopensioen over het algemeen hoger zijn dan die van een regulier (bruto)pensioen.

  • In de eerste plaats komt dit door een verschil in belastingtarief tijdens de opbouwperiode en het tarief waartegen de uitkeringen zullen worden belast. Dit laatste tarief is veelal lager dan het eerste. In het gunstigste geval – bij hoge inkomens en hoge pensioenuitkeringen – zijn beide tarieven gelijk. In alle andere gevallen zal altijd onderzoek moeten worden gedaan naar de te hanteren tarieven. Bij het formuleren van een collectieve netto-DB-pensioenregeling moeten we  in de uitkeringsfase in beginsel voor alle deelnemers uitgaan van een gelijk belastingpercentage. Er is immers sprake van een gegarandeerde uitkering die voor alle deelnemers op dezelfde wijze wordt vastgesteld. Zo is er sprake van gelijke behandeling. Tijdens de opbouwfase is daarentegen het werkelijke belastingtarief relevant.
  • Een tweede kostenverhogende factor kan de 1,2% vermogensrendementsheffing zijn, althans als de kosten daarvan door de werkgever worden vergoed. Naarmate de opbouw- en de uitkeringsperiode langer duren, zal de kostenverhoging meer gewicht in de schaal leggen. Bij een belastingtarief van 40% kost volledige compensatie van de vermogensrendementsheffing de werkgever jaarlijks 2% van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenen. Als deze heffing ook tijdens de uitkeringsfase wordt gecompenseerd, zal voor de totale kosten moeten worden gerekend met een rente die 2% lager ligt dan het verwachte rendement. Daarnaast is het nodig te rekenen met een netto-uitkering waarin de compensatie voor de vermogensrendementsheffing is verdisconteerd. Er zou ook voor kunnen worden gekozen om de kosten van de vermogensrendementsheffing te verrekenen met de deelnemersbijdrage of geheel of gedeeltelijk voor rekening van de deelnemer te laten komen.
  • Ten slotte zal een nettopensioenregeling duurder uitvallen door hogere kosten van de uitvoerder. Die zal namelijk, naast alle andere wettelijke verplichtingen rond de informatievoorziening aan de deelnemer, ook jaarlijks moeten zorgen voor een opgave van de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde pensioenen voor de vermogensrendementsheffing. Uitvoerders zullen ook vaak aanvoeren dat ze voor een nettopensioenregeling een afwijkende administratie moeten aanhouden en dat daarvoor een extra kostenvergoeding verschuldigd is. In de meeste pensioenadministraties is het echter ook nu al mogelijk om pensioenen uit te keren zonder inhouding van loonheffing, bijvoorbeeld als de gepensioneerde in het buitenland woont. Dit kan dus geen reden zijn voor een extra kostenvergoeding.

Overige aandachtspunten nettopensioen

De implementatie van een nettopensioentoezegging kent ook nog enkele andere belangrijke aandachtspunten.

  • Op dit moment is een nettopensioenregeling nog niet alledaags. Dat heeft gevolgen voor een mogelijke waardeoverdracht. Zo biedt nog niet iedere uitvoerder de optie van een nettopensioenregeling. Het nettopensioen zal dan moeten achterblijven. En wanneer waardeoverdracht wel kan plaatsvinden, is het van belang dat de opgebouwde pensioenaanspraken niet abusievelijk in de belaste sfeer terechtkomen. De toekomstige uitkeringen zijn immers belastingvrij!
  • Door het belasten van de pensioenaanspraak nemen brutoloon en belastbaar vermogen toe. Het nettoloon ondergaat geen wijziging, omdat de brutotoename deels als loonheffing wordt afgedragen aan de fiscus en deels als premie aan de pensioenuitvoerder. De toename van het brutoloon en/of het belastbare vermogen kan echter wel gevolgen hebben voor:
    - elementen in de aangifte inkomstenbelasting → de drempels voor aftrekbare giften en aftrekbare specifieke zorgkosten worden hoger, maar er ontstaat daartegenover ook een hogere aftrekruimte voor lijfrentepremies;
    - het loon voor de socialeverzekeringswetten → bij WW en WIA is er niet alleen sprake van hogere premies, maar ook van hogere uitkeringen zolang de verhoging van het brutoloon binnen het maximumdagloon voor de sociale verzekeringen valt (vanaf 1 juli 2013 € 51.146);
    - de hoogte van de toeslagen → huurtoeslag, zorgtoeslag, kindgebonden budget en kinderopvangtoeslag zijn inkomens- en/of vermogensafhankelijk.
  • Omdat de pensioenuitkeringen belastingvrij zijn, kan het gebeuren dat er tijdens de uitkeringsperiode geen of slechts een laag belastbaar inkomen is. Dit heeft dan tot gevolg dat geen (volledige) aftrek van hypotheekrente kan worden genoten of andere aftrekbare posten niet (volledig) kunnen worden geëffectueerd.

Survey

Het kan wenselijk zijn om via een survey inzicht te krijgen in de vraag of, en zo ja, in welke mate de verhoging van het brutoloon van de werknemers nadelige financiële gevolgen heeft voor eerdergenoemde inkomensafhankelijke regelingen. En als die er zijn, of er dan wellicht compenserende (individuele) maatregelen kunnen worden getroffen. De survey kan ook worden gebruikt als middel om de werknemers te informeren over de gevolgen van een mogelijke omzetting van de VPL-overgangsregeling naar een nettopensioenvariant.

Kostenvoordelen

Tegenover de hogere kosten staat uitsluitend een verlaging van de kosten die rechtstreeks verband houden met de omvang van het premievolume, de hoogte van de pensioenvoorziening en/of de waarde van de beleggingen, omdat een nettopensioenregeling resulteert in lagere verzekerde uitkeringen. Deze kostenvoordelen wegen echter niet op tegen de verwachte hogere kosten.

Toch een nettopensioen?

Als wordt gestreefd naar gelijkwaardige pensioenuitkeringen, zal een nettopensioenregeling vrijwel altijd duurder uitvallen dan een brutopensioenregeling. Daarbij is het niet ondenkbaar dat, wanneer de werkgever niet bereid is om de vermogensrendementsheffing geheel of gedeeltelijk te compenseren, vanuit de werknemers druk wordt uitgeoefend om af te zien van de nettopensioenregeling. Zij hebben wellicht liever een vrij besteedbare inkomenscompensatie, omdat de verplichte pensioenbestemming bij een nettoregeling geen enkel (fiscaal) voordeel oplevert; het brengt in feite alleen maar beperkingen – vanuit de Pensioenwet – met zich mee. Overigens hoeft de vermogensrendementsheffing niet altijd een struikelblok te zijn. Vooral wanneer de nettopensioenregeling slechts een relatief geringe aanvulling op het reguliere pensioen vormt, blijft de waarde in het economische verkeer van de opgebouwde nettopensioenaanspraken waarschijnlijk (grotendeels) binnen de vrijstelling van box 3 (3).

Indexatie

De indexatie van pensioenen die in een vorig fiscaal regime zijn opgebouwd, worden niet getroffen door de versobering van het fiscale kader. Een eventuele indexatie volgt in het algemeen het fiscale regime waarin de onderliggende pensioenaanspraak is opgebouwd.

Partnerpensioen op risicobasis ook netto?

Het partnerpensioen wordt eveneens getroffen door de versobering van het opbouwpercentage en de aftopping van het pensioengevende salaris. Dit kan bij een partnerpensioen op risicobasis ongewenste gevolgen hebben voor het overlijdensrisico tijdens het dienstverband.


Een mogelijke keuze is om het deel van de jaarlijkse risicopremie dat betrekking heeft op het fiscaal bovenmatige deel, te laten meelopen met het hiervoor beschreven regime voor het nettopensioen. Anders dan bij een nettopartnerpensioen op opbouwbasis heeft het nettopartnerpensioen op risicobasis vrijwel geen waarde zolang het pensioen nog niet tot uitkering is gekomen. De Belastingdienst neemt het standpunt in dat de waarde op 1 januari van enig jaar – de peildatum voor de vermogensrendementsheffing – gelijk is aan de jaarpremie. Hierdoor is het mogelijke kostennadeel van de vermogensrendementsheffing voor deze risicodekking gedurende de risicoperiode verwaarloosbaar. Maar op het moment dat het nettopartnerpensioen op risicobasis tot uitkering komt, zal de waarde daarvan wel zijn onderworpen aan 1,2% vermogensrendementsheffing.


Er kan er ook voor worden gekozen om naast het reguliere partnerpensioen op risicobasis buiten de pensioensfeer om een overlijdenskapitaal te verzekeren. Ook dan is de premie belast (bij betaling door de werkgever), respectievelijk niet aftrekbaar (bij betaling door de werknemer). De eventuele uitkering van het verzekerde kapitaal is dan natuurlijk onbelast. Wel is dat kapitaal vanaf het moment van uitkeren onderworpen aan 1,2% vermogensrendementsheffing.


Nadeel van beide varianten kan zijn dat erfbelasting verschuldigd is over de waarde van de periodieke uitkering of het bedrag van de kapitaaluitkering. Voor partners geldt een vrijstelling van € 616.880 (2013). Daarboven geldt voor partners een eerste schijf van € 118.254 (2013) met een tarief van 10%. Het meerdere wordt belast tegen 20%. Desgewenst kan hiermee in meer of mindere mate rekening worden gehouden bij de vaststelling van de hoogte van het te verzekeren risico. Uiteraard leidt dit tot een kostennadeel.

Arbeidsongeschiktheidspensioen en AOW-/pensioenleeftijd

De verlaging van de opbouwpercentages voor het ouderdoms- en partnerpensioen heeft geen invloed op het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen. De voorgestelde fiscale aftopping van het pensioengevende salaris is niet van toepassing op het WIA-excedentpensioen. Omdat de verhoging van de fiscale pensioenleeftijd niet gelijk loopt met die van de AOW-leeftijd, kunnen hier verschillen ontstaan. We onderscheiden daarbij lopende en nieuwe gevallen.


Bij lopende gevallen zal het wettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen eindigen op de AOW-leeftijd. Het bovenwettelijke pensioen zal nog eindigen op de leeftijd van 65 jaar.  Ook de premievrijstelling zal nog volledig zijn afgestemd op 65 jaar (4), maar omdat het pensioen zoals gezegd ook op die leeftijd ingaat, leidt dit niet tot problemen. Bij lopende gevallen wordt dus de latere ingang van de AOW in meer of mindere mate gecompenseerd door het langer doorlopen van het wettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen. Al naar gelang de mate van arbeidsongeschiktheid kan sprake zijn van een hiaat, dan wel een surplus.


Bij nieuwe gevallen (vanaf 1 januari 2014) geldt een fiscale pensioenleeftijd van 67 jaar. Ook de premievrijstelling zal worden afgestemd op die leeftijd. Het ligt voor de hand dat bij het afsluiten van nieuwe contracten ook het bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen eindigt op de leeftijd van 67 jaar. De wettelijke arbeidsongeschiktheidsuitkering eindigt op het moment waarop de AOW ingaat. Zolang de fiscale pensioenleeftijd en de AOW-leeftijd verschillen, zal het wegvallen van het wettelijke arbeidsongeschiktheidspensioen vanaf de AOW-leeftijd tot aan de fiscale pensioenleeftijd niet altijd volledig worden gecompenseerd door de AOW-uitkering. De kans op een hiaat is reëel.

Samenvatting

De verhoging van de AOW-leeftijd en van de fiscale pensioenleeftijd, in combinatie met een verlaging van de opbouwpercentages en een mogelijke aftopping van het pensioengevende salaris, stelt ons voor een aantal uitdagingen. Soms kan een nettopensioenregeling uitkomst bieden. Let daarbij wel op de (ongewenste) bijwerkingen.

Neemt u voor verdere vragen contact op met Peter Conneman of met uw Mercer-consultant.

 

1. Onder een regeling voor vervroegde uittreding wordt verstaan een regeling die of een gedeelte van een regeling dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel heeft voorafgaand aan en ter overbrugging van de periode tot aan de pensioen- of AOW-ingangsdatum te voorzien in een of meer uitkeringen of verstrekkingen, dan wel in het aanvullen van pensioenuitkeringen.


2. Hiermee wordt gedoeld op overgangsmaatregelen die destijds bij de invoering van de Wet VPL in het leven zijn geroepen, die zijn gebaseerd op de niet-gebruikte fiscale ruimte uit het verleden en waarbij een tijdsevenredige financiering tot aan de pensioendatum is overeengekomen. Bij een tijdsevenredige inkoop en toekenning van een pensioentekort dat in het verleden is berekend, moet altijd in het jaar van inkoop worden beoordeeld of de omvang van het pensioentekort volgens de dan geldende fiscale wetgeving nog ongewijzigd voort bestaat. Dat kan vanaf 1 januari 2014 niet langer het geval zijn, omdat de pensioenleeftijd wordt verhoogd naar 67 jaar en de fiscaal maximale jaarlijkse opbouw wordt verlaagd met 0,1%-punt. In eerste aanleg wordt dan beoordeeld of de nog resterende fiscale ruimte wellicht voldoende is om de overgangsregeling toch nog een jaar ongewijzigd te kunnen voortzetten. Als dan niet het geval is, kan een nettopensioenregeling uitkomst bieden. Let op: niet bedoeld worden de overgangsmaatregelen die gebruikmaken van de uitstelfinancieringsfaciliteit van maximaal 15 jaar, resulterend in een voorwaardelijk pensioen zolang de daadwerkelijke financiering nog niet heeft plaatsgevonden. Voor deze overgangsmaatregelen bestaat een eerbiedigende werking.


3. Voor 2013 geldt een heffingsvrij vermogen van € 21.139 voor alleenstaanden en het dubbele voor fiscale partners.


4. Enkele verzekeraars bieden de mogelijkheid om de lopende bovenwettelijke arbeidsongeschiktheidspensioenen te laten doorlopen tot de nieuwe AOW-leeftijd, tegen betaling van een eenmalige aanvullende koopsom.

 

 


Contact

Peter Conneman

phone-icon +31 20 431 3863

email-icon E-mail

Peter Conneman


M&A Ready - Amsterdam - 20-21 November 2013